III. Pause.
13 Als sy my gevangen brachten,
Heeft hy my verdruckt mijn krachten;
Myne dagen my verkort;
Maer schort, Heer, seyd' ick, ja schort,
Dit uw doen; aen-hoort mijn klagen;
En in 't midden mijner dagen,
Houd my staend'; alsoo uw jaren
Haer met d' eeuwigheden paren.
14 Ghy hebt d'Aerde, langh voor desen,
Hare gronden aen-gewesen;
't Zijn uw handen, die gelijck
Eertijds schiepen 't Hemelrijck.
Maer die, als 't u sal behagen,
Komen beyde tot haer dagen;
't Is tot niet dat sy verdwijnen,
Maer uw glans sal eeuwigh schijnen;
15 Ghy houd stand, en sy veroud'ren,
Als de kleed'ren onser schoud'ren;
Ghy verslijts' als een gewaed,
Dat geheel tot niet vergaet.
Maer ghy, Heer, mijn God, zijt even,
En altijd de selfd' in 't leven;
Vwen tijd, die sal volherden;
Nimmermeer geeyndight werden.
16 Oock sult ghy de lieve kind'ren
Vwer Knechten, niet verhind'ren,
Vast te woonen; en haer zaed,
Dat ghy hoed en gade-slaet,
Sult ghy niet van u verdrijven;
Maer bevestight laten blijven.
In uw sorgh hebt ghy 't genomen;
't Heeft geen onder-gangh te schromen.