Pause. 6 Ghy had den mensch op ons doen rijden, Met vyer en water hart geperst; Maer hebt ons we'er, uyt mede-lijden, Seer-overvloedighlick ververst. ʼk Sal, om offrand' aen u te geven, Gaen in uw huys, en t'uwaerts tre'en; Mijn schuld voldoen, aen u, die 't leven My hebt gegunt op mijn gebe'en.
7 Dien, als het my plagh bangh te wesen, Mijn lippen hebben uyt-gebreyd; Dien steets mijn mond heeft hoogh-gepresen, En met gesangh veel lofs geseyt. Mergh-beesten sal ick u gaen branden, En roock-werck van het Rammen-smeer, V off'ren Rund'ren-offerhanden, En Bocken toe-bereyden, Heer.
8 Ghy, die God vreest, wilt nu ontwaken,
Komt hier, en hoort mijn woorden aen; ʼk Sal opentlick u kenbaer maken, Wat hy mijn ziel al heeft gedaen. Tot hem riep ick met mijnen monde, ʼk Verhooghd' hem onder mijne tongh. Ick prees hem, wat ick prijsen konde; Mijn hert, dat bad; mijn keel, die songh.
9 Had ick na 't quaed-doen om-gekeken, Mijn hert, na ongerechtigheyd; Hy waer' al langh van my geweken; Mijn God had my 't gehoor ontseyt; Maar, seker, nu heeft hy 't gegeven; Hy heeft gemerckt op mijn gebed; Mijn Vyand achterwaerts gedreven, En van sijn banden my ontset.
10 God zy gelooft, en hooghst gepresen, Die my sijn goedertierentheyd, Die mijn gebed niet af-gewesen, Maer, wat ick bad, heeft toe-geseyt.
Cookies on Poetry Cove