Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

VI. Pause. 23 De vyand heeft haer ne'er-gedruckt; Sy, dienstbaer, onder hem gebuckt; Verneerdert zijns' en kleyn gewerden. God heeft haer dick-mael hulp vereert; Maer hem vergramdens' in 't volherden Der sonde, die haer heeft verteert.

24 Doch als hun schreyen is gegaen Tot voor sijn oor, soo sagh hys' aen, En dacht gestaegh, tot haren besten, Aen sijn verbond; en 't was hem leed. Hy gafse gunst, ten langen-lesten, Voor 't aengesicht van dien het speet.

25 O Heer, ons God, keert wederom, Verlost ons uyt het Heydendom; Versamelt ons, die ghy verspreyde; Op dat wy eenmael noch te saem, In spijt van die ons wech geleyde, Beroemen mogen uwen Naem.

26 Gepresen zy ons God en Heer, Die Israël behoud in eer'; Hoewel het seer veel heeft geleden. Gelooft sy God in eeuwigheyd, Ia, in der eeuwen eeuwigheden, By 't Volck zy, (Het zy soo) geseyt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.