Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

ש Schin XXI. 81 Men gaet my nae, die niemand heb mis-seyt; 't Zijn Vorsten, die my volgen om te vangen. Maer, dit mijn hert, dat van u niet en scheyd, Vreest voor uw woord; en heeft met groot verlangen Vw heyl verwacht; nu maeck' ick bly gebaer, Al vond ick buyt, in al mijn lof-gesangen.

82 'k Haet valschheyd seer, met reden heb ick daer Een grouwel van; maer, lief heb ick uw wegen;

Ick loof u daeghs, alleen uyt lust van haer, Wel seven-mael. 'k Heb naeuwelicks geswegen, 'k Stae qualick stil, of ick beroem' al we'er, Het recht, in uw gerechtigheyd gelegen.

83 Al wie uw wet bemint en houd in eer', Heeft groote vreed', en stoot niet aen de sonden; 'k Hoop' op uw heyl, ick hoop' er langh op, Heer, Dat my van u moet werden toe-gesonden. Ick wenscher na, en doe wat ghy belast. Aen uw gebod, houd' ick my staegh gebonden.

84 Mijn ziel houd uw getuygenissen vast, Sy achter-volghs', en isser toe genegen; Ick hebse lief; ick hebber op gepast; En uw bevelen gingh ick nimmer tegen; Want voor u zijn mijn paden al-te-mael; Ghy siets', O Heer; voor u zijn al mijn wegen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.