Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

VI. Pause. 26 Hun eerst-geboorn', 't beginsel harer krachten, Heeft hy in Chams gewesten doen versmachten. Sijn Volck, aen 't welck hy sich tot Hoeder stelde, Voerd' hy daer he'en, als schapen op den velde. Gelijck een trouw, een naerstigh Herder doet, Die kudden drijft, en op den wege voed.

27 Hy leyse wel, dats' onbevreest zijn moghten, En rusten voort; want, die haer onheyl sochten, Verswolgh de Zee. Hy dreefs' en deedse komen, Tot daer hy selfs sijn woon-plaets heeft genomen, Tot desen bergh, tot midden in dit land, Dat hem verkreegh sijn eyge rechter-hand.

28 Het Heydens Volck heeft hy haer wech-gedreven, Hun erfenis aen Israël gegeven; De Heere schonck haer Tenten aen sijn stammen; Maer die zijn we'er den Hooghsten gaen vergrammen: Sy hebben God verbittert en verstoort, Niet lettend' op sijn wetten noch sijn woord.

29 Sy zijn gekeert, gelijck hun Vaders deden; In trouwloosheyd, van hem te rugh getreden. Gelijck een boogh zijns' achter-uyt-geschoten; Maer 't heeft den Heer oock wederom verdroten. Sy terghden hem, en hy heeft haer vernielt, Wanneer sy voor de beelden zijn geknielt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.