צ Zade XVIII. 69 Ghy zijt en blijft een gansch-rechtvaerdigh Heer; Elck oordeel Gods, is lauter recht en reden. Ghy last ons 't recht van uwe waerheyd seer, Seer-hoogh hebt ghy uw's wets gerechtigheden Geboden, Heer; en ons verknocht daer aen. Ghy geefts' ons tot een regel onser zeden.
70 Mijn yver heeft my seker doen vergaen, Om dat mijn We'er-partijders soo vergeten Vw woorden, die sy hoorden te verstaen, Die suyver zijn, en saligh om te weten. Vw knecht bemints', en hy heeft die betracht; Ghy weet het, Heer, hoe hy sich heeft gequeten.
71 'k Ben ongesien; kleyn ben ick en veracht;
Doch uw bevel en laet ick niet te plegen. Dat ist alleen, daer op ick ben verdacht. Vw recht staet vast; in eeuwigheyd, uw wegen; Sy missen niet. De waerheyd is uw wet; Daer is niet valsch, niet onrechts in gelegen.
72 Ick ben van anghst getroffen en beset; Benauwt ben ick; Maer schepp' al mijn vermaken In uw gebod, daer ick altoos op let. Geen loop van tijd sal uwe wetten staken. Geeft my 't verstand, op dat ick levend werd'; Daer van ghy my de lieflickheyd doet smaken.
Cookies on Poetry Cove