Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

Pause. 5 Ghy Israël, vertrouwt u op den Heer;

Hy is uw hulp en schild, uw roem en eer'; Ghy Priesters en Levijten, Ghy Arons huys, vertrouwt u op den Heer, Hy is uw hulp en schild, uw roem en eer'; Past-op en wilt u quijten.

6 Ghy, die hem vreest, vertrouwt u op den Heer; Hy is uw hulp en schild, uw roem en eer'; De Heer was u gedachtigh. Ghy Arons huys, ghy Israëls geslacht, Van God sult ghy noch vorder zijn bedacht, Die trouw is en waerachtigh.

7 Gunst sal hy doen, aen die hem kent en vreest; 't Sy dat ghy groot of kleyn sult zijn geweest; Sijn segen sal niet mind'ren; Sy sal gewis vermeerd'ren dagh aen dagh; Oock over u meer komen als sy plagh, En over uwe kind'ren.

8 Ghy zijt den Heer gesegent al-gelijck, Die d'Aerde maeckt', en schiep het Hemelrijck. Daer sit hy hoogh verheven, Daer woont hy selfs. Maer d'Aerde, daer men siet, Dat hy oock houd het opperste gebied, Heeft hy den mensch gegeven.

9 De Dood' en prijst sijn Heer en God niet meer; Van die ten graev' in stilte dalen ne'er, En wert hy niet beleden; Maer wy, terwijl hy ons hier doet bestaen, Wy sullen hem gaen loven van nu aen, Tot in der eeuwigheden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.