Pause.
4 Alsulcke gaen van kracht tot kracht;
Voor God, in Zion, diese wacht,
Sal ygelick van haer verschijnen.
Hoort, Heer der Leger-scharen, hoort,
Na mijn gebed; eer ghy my voort,
Sult sien beswijcken en verdwijnen.
O Iacobs God, geeft my gehoor;
Neemt mijn gebed, neemt het ter oor'.
5 O God, ons schild, daer wy op staen,
Siet uw Gesalfdens aenschijn aen.
Want beter is, in uw Voor-hoven,
Een dagh, dan elders duysend meer.
'k Had liever aen den dorpel d'eer',
In 't huys mijns Gods, te zijn verschoven;
Dan langh te woonen in de Tent'
Der godloosheyd, die zielen schend.
6 Want God, de Heer, die is een Son,
Een schild, dat niemand breken kon;
Hy sal genaed' en eere geven.
Want hy onthoud hem 't goede niet,
Dien hy oprecht van wandel siet;
Hem doet hy vast en veyligh leven.
Wel-gelucksaligh is de Man,
Die sich op u vertrouwen kan!