Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

II. Pause. 8 Des Heeren aenschijn gloeyt, 't Is tegen die ondeugend' is,

Om hem en sijn gedachtenis Te hebben uyt-geroeyt. Sy roepen, en God hoort; Hy redse die rechtvaerdigh zijn; Vyt al haer swarigheyd en pijn Helpt hyse voort en voort.

9 God is by die hem vreest, By die van hert gebroken is; Hy sluyt in sijn behoudenis Verslagenen van geest. Des Vroomens tegen-spoed Is groot en veel; waer hy hem wend, Raeckt de Rechtvaerdigh' in ellend'; 't Is kruys, wat hy ontmoet:

10 Maer God ist, die hem red; Die al sijn beenderen bewaert, Dat niemand die breeckt opter Aerd; God ist, die op hem let. De boosheyd, die beswaert, Den Goddeloosen slaet sy dood; Wie den Rechtvaerdigen verstoot, Sal schuldigh zijn verklaert.

11 De Heer verlost sijn knecht, Hy hoed de ziel van die hem vreest; Dien is hy steets tot hulp geweest; Dien spreeckt hy vry in 't recht.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.