Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

II. Pause. 9 Ghy hebt van uwen Heylgh in een gesicht geseyt; Hulp doe ick aen een Held, dien ick heb voor-bereyd, Ick doe hem kloeckheyd aen; hem heb ick uyt-verkoren, Verhooght uyt al het Volck; tot Opper-hooft besworen. Ick heb het gansche Rijck aen sijn gesagh gebonden, 'k Heb David, mijnen knecht en dienaer uyt-gevonden.

10 Met heyligh' oly' heb ick hem gesalft tot Heer; Mijn hand blijft met hem vast; hem houd' ick staend' in eer'. 'k Versterck' hem door mijn arm. 'k Sal hem met gunst omringen; Gesegent sal hy zijn, geen Vyand hem verdringen.

De Soon des onrechts sal hem nimmer onder-drucken, Verstooten nimmermeer, noch uyt mijn handen rucken.

11 'k Sal voor sijn aengesicht sijn Vyand nederslaen, En die sijn haters zijn, met plagen over-la'en. Mijn goedertierentheyd en trouw sal met hem wesen, Men sal in mijnen Naem sijn hoorn sien hoogh-geresen. 'k Sal in rivieren, 'k sal, in Zee sijn handen setten; Hy sal op land en sand verkondigen sijn wetten.

12 Sijn Vader en sijn God sal ick hem zijn genoemt, De Rotz-steen van sijn heyl, daer hy sich op beroemt; Ten eerst-geboren Zoon stell' ick hem hoogh in waerde, Ten hooghsten, over al de Koningen op Aerde. 'k Sal hem in eeuwigheyd mijn goedheyd doen gewerden, En mijn bestemt verbond sal staegh met hem volherden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.