Pause. 4 V loven all' uw groote daden, Heer; Vw Vrienden, siet, die maecken-groot uw eer'. De Heerlickheyd uw's Rijcks sal oock by haer Verkondight zijn; uw macht, in 't openbaer, Zijn uyt-geseyt; om uwe mogentheden By menschen voorts te hebben hoogh beleden. Om kond te doen den roem van uwen Rijcke, Dat noyt en sagh, noch sien sal sijns gelijcke.
5 Vw Koningh-rijck, is 't Rijck van eeuwigheyd; Vw Heerschappy, uw Goddelick beleyd, Gaet van het een tot 't ander zaed alleen. God onder-steunt al wie gevallen scheen; Hy richts' all' op, die neder zijn gebogen; En op u, Heer, staen wachtend' aller oogen; Ghy spijsts' in tijds; ghy doet uw' handen open, Na 't u behaeght, voed ghy die op u hopen.
6 Rechtvaerdigh is de Heer en wonder-goed, In al wat hy oyt heeft gedaen en doet.
De Heer is naest, by die hem roepen aen; By alle, die in waerheyd tot hem gaen. Hy hoort den wensch, en doet het wel-behagen, Van die hem vreest, en sigh tracht vroom te dragen; Als sijn geroep hoort hy in droeve tijden, En maeckt hem vry van al die hem bestrijden.
7 De Heer bewaert al wie hem recht bemint, Maer hy verdelght al wien hy godloos vindt. Ick, en na my, sal alle vleesch den Heer, In eeuwigheyd, beroemen meer en meer.
Cookies on Poetry Cove