Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

ס Samech XV. 57 'k Haet en verlaet de quade rancken, Heer; Maer ick bemin uw wet uyt al mijn krachten. Ghy zijt mijn schild, mijn schuyl-plaets en geweer, Op u staen al mijn sinnen en gedachten. Ick heb gehoopt, en op uw woord gestaen, Daer van ick heyl en bystand heb te wachten.

58 Boosdoenders, wijckt; en kleeft my nimmer aen, Dat ick 't gebod mijns Heeren-Gods beware; Na u beloft', aen my wel-eer gedaen, Soo steunt my, Heer, dien ick mijn God verklare; Op dat ick leef, soo wilt niet noch en lijd, Dat oyt mijn hoop', op u, my schaemte bare.

59 Steunt my, dat ick voor 't struyck'len zy bevrijd, Soo sullen steets uw in-gestelde wetten Mijn vreughde zijn, mijn vrolickheyd altijd. Al wie verdwaelt van 't geen ghy in deed setten, Vertreed ghy gansch; 't is leugen wat hy smeed;

Op sijn bedrogh heeft yder-een te letten.

60 Al wie sijn tijd in godloosheyd besteed, Schuymt ghy van d'Aerd; en ick heb om dies-wille Seer lief, al wat ghy oyt getuygen deed. Het hayr rijst my ten bergh', ick beef en trille, Van schrick, voor u. Soo seer heb ick gevreest Vw oordeel, Heer; maer ghy stelt my we'er stille.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.