Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

ג Gimel III. 9 Doet by uw knecht, dat wel is, voort en voort,

Op dat ick leef, uw woorden mach bewaren, En daer na doen, gelijck als dat behoort. Wilt mijn gesicht ontdecken en verklaren, Op dat ick sie de wond'ren van uw wet, Die ghy daer in hebt willen openbaren.

10 'k Ben vreemd, en sta op Aerden ongered, Houd my mitsdien uw wetten niet verborgen, Dien ghy verstaet en siet te zijn belet. Mijn ziel is van den avond tot den morgen, Verbroken, door het groot verlangen, Heer; Op 't oordeel Gods, staet al mijn doen en sorgen.

11 d'Hoovaerdige-vervloeckte scheld ghy seer, Die van uw wet moed-willigh af gaen dwalen, En in haer doen niet passen op uw leer'; Laet my geen schaemt' of schanden achter-halen, Rolts'-af van my, die heb uw wegh gegaen, Vw wet gepleeght, die my den wil bepalen.

12 Als Vorsten selfs, om my om-ver-te-slaen, Verschaffen raed; soo volghd' ick uw bevelen; Ia, ick, uw knecht, ben trouw'lick blijven staen Op uwe wet; die my een vreughd te quelen, Te singen, is; ick gae met haer te rae; Op haer doe ick mijn harp' en snaren spelen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.