Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

II. Pause. 9 Soo sal ick in het groot getal Mijns Volcks, dat ick vergaren sal, V loven, u, mijn God, belijden. Laet sich mijn Vyand niet verblijden, Die nu met valsheyd my beloert, En tegen my den oorlogh voert; My schricken doet; die haet bedenckt; En met sijn oogen my bewenckt.

10 Want van geen vreed' en spreken sy,

Maer dencken argh-list tegen my, En alle die in stilte leven, En sich tot haren God begeven. Wijd-open sperrens' haren mond, Als of die my alre'e verslond. Sy seggen, siet, hy moet vergaen; Ha! ha! ons' oogen sien het aen.

11 Ghy, Heer, die 't saeght, en swijght doch niet; En weest niet verr' in dit verdriet. Ontwaeckt, mijn God, wilt wacker werden; Helpt my, die dit niet langh kan herden; Doet recht, en leght mijn twist-saeck ne'er; Want 't is maer recht dat ick begeer'. Doet recht na uw gerechtigheyd. Maeckt dat den Laccher een-mael schreyt.

12 Verblijd haer niet, O Heer, mijn God; En laet hun ziel, in mijner spot, Niet zijn vermaeckt; noch oock hun monden, Wy, seggen, hebben hem verslonden. Beschaemt hun aller stout gelaet, Die haer verblijden in mijn quaed. Maeckts' al van schand' en schaemte rood, Die tegens my haer maken groot.

13 Maer laetse vrolick zijn al wie Ick tot mijn recht genegen sie; Laets' altijd, sonder uyt-te-scheyden, Des Heeren maght al-om verbreyden; Die lust heeft in sijn Dienst-knechts rust. Soo sal mijn tongh, uw's heyls bewust, Vw recht vermelden wat sy magh, En uwen lof, den ganschen dagh.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.