Pause.
4 Ghy berght my, Heer, in alle tegen-spoeden;
Voor anghst en nood, weet ghy my te behoeden.
Ghy doet, dat ick omringht ben met gesangh
Van vrolickheyd, en buyten allen dwangh.
Dit seght gy my. Ick sal u onder-wijsen
In mijnen wegh, dien ghy sult gaen en prijsen.
Hoort na my toe. Ick sal u geven raed;
Mijn oogh sal op u zijn al-waer ghy gaet.
5 Weest by geen Paerd, noch stege Muyl geleken,
Wiens domme kracht het toom-gebid moet breken;
Dat breydels draeght, om regel-recht te gaen;
En niet ter zijd' of achter-uyt te slaen.
De Godloos' heeft veel pijn en smert te grouwen;
Maer, die op God stand-vastigh haer vertrouwen,
Een aen den Heer bevelen hun beleyd,
Die zijn omringht met goedertierentheyd.
6 Verheughd u dan, met blijschap in den Heere,
Rechtvaerdigh mensch, singht uwen God ter eere,
Met vrolickheyd. Beroemt hem t'aller-tijd,
Ghy, die oprecht en vroom van herten zijt.