Goedt gescheyden houwelyck.
DEn bandt van peys en vred' en het gemack van rust
De fackel vande min met tranen uyt geblust
En altemael verkeert in droefheyt sonder ende
De liefde sonder hop' van weerliefd' baert allende
En eyndeloos gesucht, wanneer de goede trouw
Breckt door de doot, en scheyd' den man van syne vrou.