Noteert. Dat inden jaere 1665. op den 25. dach van Mey, ontrent elf uren voor den middach binnen de stadt Lyer, is ontstaen eenen grouwelijcken brandt, seer vervaerelijck en droef om te sien, begost inde Antwerpse straet, soo furieuselijck aen-nemende, datter inde selve straet, ende op andere plaetsen binnen de voorschreve stadt, terstont syn afgebrandt, vier huysen, twee schueren, ende dry stallen, door welcke beroerte corts daer naer is gecomen een seer wreede pestilentiale sieckte, waer-door de stadt soo gheinfecteert is geworden, datter op den tydt van seventhien maenden, syn besmet dry-duysent en ontrent tachentich menschen, met de selve contagieuse, oft pestilentiale sieckte, in vuegen dat daer af gestorven sijn by de twee-duysent Communicanten, sonder de jonghe kinderen, de welcke waeren onder hun jaeren, ende oock sonder de gene die door het haestich overvallen der voorschreven sieckte, hun H. Sacramenten niet en costen ghenieten, waer van den Eerw: Heer Tobias de Perona, alsdoen pest-pastoor, broeder Jan vanden Bulck Pater vande Cellebroeders, ende Mr. Ian de Smidt Chirurgyn en Stadts Pest-meester, loffelijcke getuygenissen hebben gegeven, tot versterckinge vande waerheyt, ende verwonderinghe over de groote sterfte, in soo cleynen onbevolckte stadt Lyer, overmidts de selve lofweerdige Mannen, de voorschreve gheinfecteerde ende afgestorven persoonen ten deele gecureert, gheadministreert, ende begraven hebben; op den 27. Septembris 1666. is de pest gecesseert, en niet meer voorts geloopen, maer het leste huys alsdoen volcomentlijck daer van gereynicht synde, soo is de Casse met de gebeen-ten vanden voorseyden Patroon, den edelen ende heyligen Ridder Gommarus, volgens de gelofte processiwys vereert ende gedraegen buyten de voorschreve stadt Lyer, onder Emblen een ure van daer, by de fonteyn genoempt S. Gommers Born, vergeselschapt met de Eerw: Heeren Deken, ende Canonicken van het Cappittel der collegiale kercke, ende de heele Cleresie, beneffens die Heeren Schouteth, Borgemeester, Schepenen, Heeren overdekens, ende Oudermans vande lakenhalle der Stadt Lyer, de dry gulden, ende alle de Ambachten, met hunne tortsen, beneffens t'meestendeel der inwoonders, aen welcke fonteyn is staende een cleyn Cappelleken, waer in gedaen is een solemnele Misse, in volle musyck met een cleyn Oratie, van den ordinarissen Predicant, onder het geselschap van den soeten naem Iesus, ten aenhooren van allen dit volck, tot dancksegginge, van het lanck-gewenst weldaet, dat sy van Godt vercregen hadden, al-waermen veel menschen sach weenen, van blyschap, en bly syn om hun blyde verlossinge gelijck de kinderen van Israel als sy verlost waren, uyt de wreede vervolginghe van Pharao, seggende: fortitudo mea & laus mea dominus & factus Exod: 15. est mihi in salutem iste Deus meus & glorificabo eum, Deus Patris mei, & exaltabo eum. Die Heere is myn sterckheyt, ende mynen lof en hy is my geworden ter salicheyt, dit is mynen Godt, en ick sal hem glori bewysen, dit is myn vaders Godt, en ick sal hem verheffen. Dux fuisti in misericordia tua populo quem redemisti: & portasti eum in fortitudine tua, ad habitaculum sanctum tuum. Gy hebt eenen lydts-man geweest in uwe bermherticheyt den volcke, d'welck gy verlost hebt, en ghy hebt die gedraghen door u sterckheydt, tot uwer heyligher woonsteden. In het selve jaer 1666. soo is in het midden der voorschreve hooft-kerck van S. Gommer door de Eerw: PP. Capucinen opgerecht eenen seer schoonem Autaer, ende aldaer tot meerder eer en glorie van onsen oppersten Salichmaker Iesus Christus gebenedydt, en onsen voorseyden Patroon den H. Gommarus wederom ghecelebreert een musicael, ende solemnele Misse door den doorlichtichsten, en eerweerdichsten Ambrosius Capello, Bisschop der stadt Antwerpen, ende naer de misse de Eerw: Casse vanden H. Gommarus geopent ten overstaen, en aensien van het voorschreven heel Capittel, Magistraet, ende Laken-halle, midts-gaders ten bywesen van alle de overicheyt der Mans-Cloosters, schuylende binnen de selve stadt, ende dienvolgende by den voorschreven Eerw: Bisschop, openbaerelijck ende met groote eerbiedinge aen alle de werelt ghethoont de heylige gebeenten, van hunnen Patroon Gommarus, naer dat den Eerw: Gaspar Smits Plebaen op den stoel der waerheyt in't midden vande selve kercke hadde ghedaen, een seer bewegelijck sermoon, waer-door hy niet alleen het meestendeel vande inwoonders en verweckte, om tranen te storten van vreught en blyschap, maer syn selven in dese devotie soo beroert vond', in't binnenste van sijn hert, dat hem sijn tranen (gelijck ick selfs heb gesien) van blyschap wederhielen meer te spreken, siende aen een iegelijck verthoonen, de loffelijcke ende ghedenck-weerdighe kerckjuweelen, van dese heylige ghebeenten, die soo veel jaren van niemant en waren gesien geweest, en merckelijck bepeysende, wat groote weldaeden, dat alle geloovige en op Godt betrouwende menschen connen genieten, die hunnen Heer ende Godt lief-hebben, sijn heyligen eeren, beminnen ende aenroepen, en niet sonder reden, want de heyligen Luc. 20. 36 aenschouwen Godt altyt, en sien alles in Godt, sy sijn de engelen gelijck, sy syn oock litmaten van onse H. kerck, ergo soo sijn sy voor ons besorght, en bidden voor ons, want de natuere leert dat alle de leden van een lichaem, malcanderen (waer sy Job. 42. 8. connen) te hulp comen, en medelyden hebben met elck anders miserie, de levende mogen volgens Godts woordt, de andere levende wel aenroepen, waerom dan oock niet de heyligen, die geen ballingen noch sondaers meer en syn, voca ergo, si est qui tibi respondeat & ad altquos Sanctorum Rom. 15. vers. 30. convertere. Daer-om roept ofter iemand is die u antwoorde, en keert u tot eenige vande heyligen, als wy de heyligen aenroepen, soo doen Job. 5. 1. wy naer Godts woordt, en evenwel en comen wy met ons bidden, ende aenroepen tot niemant anders als tot onsen Vader, die inde hemelen is, voor soo veel hy den auctheur ende gever van alle gaven is, die wy van hem door de heyligen, als hemelsche soliciteurs, ende Advocaten versoecken, Godt wondt en hy geneest, hy slaet en hy salft, die op hem dan betrouwt, en sal in sijn allenden en miserien niet verdolen, Job. 5. 21.à flagello lingua absconderis & non timebis calamitatem cum venerit. Voor die geessel der tongen suldy verborgen worden, en ghy en sult de allenden niet vreesen als sy comen sal, wilt dan altyt in u tribulatien, tegenspoet, en lyden verduldich sijn, en de heyligen eeren, die u inden noodt sullen hooren en helpen, als gyse sult aenroepen.
Cookies on Poetry Cove