Skip to content
1706

Echos weder-klanck

Cornelis Bie

Jesus In faciem consputus, oculis velatus & colaphis Caesis.

Het al te schroomelijck vermaledijdt bestel Der Jodse Beulen uyt-gewerckt in het verblinden Der ooghen van Godts Soon, soo schandelijck en fel Als oyt Tyran bedacht, oft hatelijck verlinden Niet te beschrijven is: te weten hoe dat Godt Als mensch in dien nacht (wanneer hy was gevanghen) En comende uyt huys van Annas, wert bespot, Getrocken met den baert, bespoghen op sijn wanghen En seer ongemaniert mishandelt, en geacht Veel minder als een hondt van jemant doodt gheslagen En daermen geenen dienst oft voordeel meer van wacht, Soo hebben sy gheleeft met Godt, om hem te plaghen Eer hy noch wert ghecruyst, dat niemant oyt en sagh Vande Gheloovighe, oft niemandt oyt sal weten, En noch veel minder sien als in den jonghsten dach Van t'oordeel, met wat stout en schrickelijck vermeten Het blinden vanden Heer (die t'licht dese Hemels is) Als doen wert uyt-gewerckt vande vuyl Jodsche volcken In dien droeven nacht, waer van de duysternis Schaemroot was bevende: jae datter uyt de wolcken Toen t'hittich blixem vuur met donder slagh ghemenght Oft herter straffen hadden op dat schuym ghevallen Om sulcken boosen quaet; verplet en heel versenght, Verbrand, en soo ghedoodt, datter niet een van allen Meer overbleven was, t' had hunnen loon gheweest: Wee dan die Godt soo terght en sijen straf niet vreest.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Echos weder-klanck · Cornelis Bie · Poetry Cove