Jesus
In faciem consputus, oculis velatus & colaphis Caesis.
Het al te schroomelijck vermaledijdt bestel
Der Jodse Beulen uyt-gewerckt in het verblinden
Der ooghen van Godts Soon, soo schandelijck en fel
Als oyt Tyran bedacht, oft hatelijck verlinden
Niet te beschrijven is: te weten hoe dat Godt
Als mensch in dien nacht (wanneer hy was gevanghen)
En comende uyt huys van Annas, wert bespot,
Getrocken met den baert, bespoghen op sijn wanghen
En seer ongemaniert mishandelt, en geacht
Veel minder als een hondt van jemant doodt gheslagen
En daermen geenen dienst oft voordeel meer van wacht,
Soo hebben sy gheleeft met Godt, om hem te plaghen
Eer hy noch wert ghecruyst, dat niemant oyt en sagh
Vande Gheloovighe, oft niemandt oyt sal weten,
En noch veel minder sien als in den jonghsten dach
Van t'oordeel, met wat stout en schrickelijck vermeten
Het blinden vanden Heer (die t'licht dese Hemels is)
Als doen wert uyt-gewerckt vande vuyl Jodsche volcken
In dien droeven nacht, waer van de duysternis
Schaemroot was bevende: jae datter uyt de wolcken
Toen t'hittich blixem vuur met donder slagh ghemenght
Oft herter straffen hadden op dat schuym ghevallen
Om sulcken boosen quaet; verplet en heel versenght,
Verbrand, en soo ghedoodt, datter niet een van allen
Meer overbleven was, t' had hunnen loon gheweest:
Wee dan die Godt soo terght en sijen straf niet vreest.