Skip to content
1706

Echos weder-klanck

Cornelis Bie

Bewys Dat geen lichtveerdigher overtredinghe van Godts Gheboden en can gevonden worden om te sondigen als de oocasie oft gelegentheyt. Facit occasio furem.

Gelegentheyt maeckt roof. die mint en wordt bemint, Seer licht een open deur van vele sonden vindt. ICk magh seggen, en vry-moedigh schryven: dat gelyck de oogen van den mensch zyn open vensters waer door de becoringen in 't herte sluypen en de gedachten wacker maken om te sondigen: reden dat Democritus een heydens Philosoph, beyde syn oogen uyt-stack om geen gelegentheyt te connen soecken, te vinden, noch te sien, waer door hy sou gesondight hebben. Reden oock dat veel Godt-vreesende zielen (genegen zynde tot de Deught en vyanden van het Quaet) hun selven hebben vertrocken naer de wildernissen oft woestynen om de gelegentheydt van quade becoringen te schouwen ende daer door niet te vallen in sonden, alwaer sy eensaem en sonder geselschap van menschen, levende by de wortelen der aerde Godt gedient hebben, ende alsoo de gelegentheyt gevlucht om van de valse Werelt, Duyvel en Vleesch door quade becoringhe niet bedrogen te worden. Den Heyligen Brune mogth dan wel seggen: Elongavs fugiens, & mansi in solitudine: ick heb my verr' vertrocken, de gelegentheyt van sonden ont-vlucht, en ben gebleven in de eenigheyt. Hadde den Coninck David syn gesight niet laten vallen op een Barsabea hy en hadt daer mede niet gesondight, waerom de plaetsen daer de gelegentheyt van quaet te vinden is) behoorden geschouwt te worden, Fuge occasiones ne incidas in pravas, morosas & libidinosas tentationes, vlucht de gelegentheden om niet te vallen in vreeselycke en vuyle becoringen, want daer door comt-men tot de uyt werckinge der onkuysheyt, ende om ons daer van te connen wachten, moeten wy ons voegen naer het hooft-gebedt van den Pater noster geseyt: Onsen Vader die zyt in de Hemelen en soo voorts, gelyck ons duydelyck geleert wordt als wyGodt den Vader der bermhertigheyt aen-roepen en seggen: en laet ons niet vallen in quade becoringen, maer verlost ons van alle quaet. Waer door wy moeten bekennen: dat wy sonder de hulpe van Godt en syne gratie geen quade becoringen (om de cranckheyt van onse natuur) en connen ontvluchten als wy de gelegentheyt open sien om de selve in te volgen en daer door te sondighen, want van Godt alleen is alle onse genoegsaemheyt, als wy syn genade betrouwen dat sy ons niet en sal verlaten om van de quaede becoringen te beschermen; dus moeten wy altyt bidden dat Godt door syn genade en bermhertigheyt ons tegen den aen-val van vuyle, onnutte en vleeselycke lusten tot onkuysheydt, gulsige genegentheyt tot overdaet oft lichtveerdigheyt, en andere ongeoorlofde manieren van quaet leven wil verstercken om die te wederstaen en niet toe-te-laeten noch met den wil noch in het werck: want om dat den wil gaet voor het werck, is den wil soo groote sonde als de daet van een quaet werck: jae schoon de becoringen van 't vleesch verwecken den wil tot onkuysheyt, geleden leet tot wraak, de wraak-gierigheydt tot moort-lust, de vleeselycke en on-getoomde liefde tot belghsucht om te soecken dat-men niet en wenscht te vinden, en dat den mensch in sulcke engeregelde voor-vallen een ongerust leven heeft, hy en sal daerom de gelegentheyt niet vluchten, als hy aen de quade becoringe gehoor geeft en in-volght om het quaet (daer uyt spruytende) toe-te-staen en alsoo te sondighen. Oft iemant die het selve sou willen beletten, oock daerom te vermooren, en wraak daer over te nemen, soo crachtigh is de vleeselycke liefde als de selve in 't hert van den mensch gewortelt is, daerom seyt den Heyligen Augustinus seer wel in dese woorden: Amor carnalis insatiabilis est, quia extinctus reaccenditur, rationis oblivio est & insania proximus, & qui tali amori conjungitur tentationibus contimis subjacet. Te verstaen: dat een vleeselycke liefde is onversadelyck, brandende als een vuur, en eens uyt-gedooft zynde, wederom ontsteckt, en is qualyck te blussen, en daerom te achten by de dwaesheyt oft crancksinnighe sottigheydt, want de gene die met sulcken liefde gepaert oft verbonden is, en sal noyt van quade becoringe ontlast zyn, maer aen de selve altyt verbonden blyven, schoon dat sulcken liefde is den strick der zielen verdoemenisse, eenen bitteren honinck, een soet fenyn, dat altemael beletselen der deughden zyn.: Omnium rerum calamitas, sapida jugulatio, malum spontaneum, indefinens pugna quotidianum damnum blanda percussio, interfectie leniens, pernicies deticata, & domus tempestatis, Augustinus docet.

Die met de liefde, vol ongemanierde zeden Van ongeregeltheydt uyt eenen vuylen lust Beseten zyn, is quaet, om dat daer in geen reden Oft vreese Godts en schuylt, levende sonder rust Waer dat sy gaen oft staen, by sotten te gelycken Om hun genegentheydt tot eene korte vreught Soo en ghelyck in 't volghende Beschryf sal blycken, Dat sulcke liefde is een sonde, en geen deught, Den moort-priem van de ziel, die eeuwigh moet betalen De schuldt van sulcken quaet, in de wraak gierigheyt Bestaende, als-men het beletsel wilt verhalen In de geleden schad' van syn genegentheyt, Dan is de liefde by de raserny te achten, Daermen niet anders dan verdriet is van te wachten.

Sulcken liefde en is niet goddelyck, die by den heyligen Augustinus wort gehouden voor eenen lieffelycken slagh sonder pyn, en sachte doodinge, een teere beschaedingh en een vrywilligh quaet, en smaeckelyke kittelingh, eenen gedurigen self-strydt, een huys van twist en soet fenyn, eenen ondergangh van alle saecken eyndelyck een beletsel van d'eensaemheyt en van het gebedt, van godtvruchtige en deughdelycke oeffeninge om de voorschreven redenen en gevallen die inde natuur der vleeselycke liefde te vinden zyn, uytgewerckt worden, had goet gekeurt de selve (soo ende gelyck-men oordeelen can) in't volgende Beschryf te vertoonen, en sulcken liefde naer vermogen van haer heersinge (in de herten der Minnaers schuylende, kenbaer te maecken, en te bewysen in het geil-suchtigh leven van eenen Tartaarsen Prins by naem Amurath verliest zynde op de Persiaense Princerse Theocrina: tot een waerlyck blyck, wat vreede bloet girige en moort-lustige tyrannien daer door zyn voortsgecomen: op dat een ieder (wesende nieuw lustigh om te lesen, sou mogen crygen eenen schroom en af keer van sulcken weert vervloeckelyke voor vallen, en schrickelyke sonden wesende duyvelse hangh-stroppen der ellendige en ramp-salige zielen inde volgende Tragedie oft Treur spel verthoont: die ick goet vond te noemen Wraak van vercrachte Kuysheyt: tot eenen spiegel voor al de gene die met vleesselyke lusten uyt een ongeregelde liefde beseten zyn, op dat sy hun mogen wachten vande onbetaemelycke sonden en straffen die daer uyt groeyen om eeuwigh verloren te gaen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Echos weder-klanck · Cornelis Bie · Poetry Cove