Skip to content
1689

Den sedighen toet-steen

Cornelis Bie

Gulsicheyt. Als hy daer by bedocht hoe dat de domme menschen De blom van hunnen tijdt soo licht oock doen verslenschen Door grage gulsicheyt. en vieren al veel meer Een droncke Bacchus feest als hunnen Godt en Heer. Waer med' den Philosoph niet anders con besluyten Als dat daer uyt veel quaet van sonden comt te spruyten Als hooverdy, verraet, moort en veel achterclap, En watter noch al meer groyt uyt de dronckenschap Dat is genoech bekent, hoe veel dat sy om't leven Gebrocht heeft en oock door den overdaet doen sneven Van macht en cracht berooft, en de sachtsinnicheyt Van't redelijck verstandt verkeert in dullicheyt, De herssenen verdrayt, gebroken al de leden De sterckheyt geplaeght met creupel-strammicheden En t'leven soo vercort, dat die was cloeck en wijs Is sot geworden, jonck gestorven, en noyt grijs Van ouderdom geweest, maer in sijn groene jaeren De doot te jonck besuert, siet hoe de dronkcaerts vaeren T'sijn Bacchus martelaers, queelbasten sonder vreucht

Jae rechte beulen van hun fris en jonghe jeught Vol puysten en gebreck, die kennen noyt hun selven Om dat het monsters sijn, weert om in d'aert te delven Als lever ende longh geheel sijn uyt-gebraeckt, Siet hoe de gulsicheyt dan in het graf geraeckt Daer m'alle dronckaers (noch half sat) naer toe siet voeren Met t'schipke van reyn-uyt als s'hun niet meer en roeren: Wee die alsoo den tijdt onnuttelijck versuymt Dat hy daer door voor sijnen tijdt het leven ruymt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Den sedighen toet-steen · Cornelis Bie · Poetry Cove