Het derde Deel.
Als wordt de ziel bedouwt.47
Als lest den hellen glans der Sonnen.63
Fortuna soet die tot my deyst.61
*Heeft my het ongheluck, &c.48
Hoe wagghelt het ghemoet.67
Hoe lanck sal ick noch sijn.45
Het groen becleede velt.73
*Het eygen van 't ghemeen.74
*Ionge dochters fleur van vrouwen.78
Is de min in u hert gheschroeft.70
*Lest als de blond'Auroor.69
O doodt laet my u pijlen proeven.76
Onlanghs wanneer Pomona sou.54
Schoon lief wanneer salt eens wesen.41
Schoon lief niet langher mijnen sin.46
Spreeckt traghe tonghen.58
*Wat flauw en slechte min.52