Opdraght aan Juno, Bescherm-Goddin van 't Huwelijk.
O Heylige Rey, zoo trou van my gewilt, Wat heb ik tijd in uwe dienst gespilt! Wanneer u gunst behulpelijk en milt Mijn lust quam sterken. Wen het gemoet door zang-lust aangeport My streeven deed naar 't loof, dat nimmer dort, Zoo hebt gy my met Aganip bestort, Die flux kon wercken. Hoe menichmaal heb ik 't Altaar gestoockt! Met balsem-geur u Godtheyt toegeroockt! Dat noch u Kerck van al het branden smoockt, En toont noch voncken. Mijn Vryheit, eer zoo duur van my bemint, Is door de schicht van Venus moogent kint Gebrooken; dies de plicht my heeden bint, En Trouw geschoncken Aan een, door wien ik nu alleen maar leef, Die ik met vreugd mijn Vryheit overgeef, Dies ik met uyt gestrekte wieken zweef Naar Samos stranden: En offer u, ô Juno! mijn Goddin, (Die my met hert, met leeven, ziel en zin Gekluystert hebt met heyl'geen trouwe min Aansachte banden,)
Mijn werck; en legh de Rijm-pen voor u neer. Al langh genoegh gestreen om ydele eer. Men ziet, hoe haast het leeven neemt een keer, En ruckt ons heenen, Valesius Tarentinus, door een stem uyt het Bos daar toe vermaant zijnde, heeft zijn twee zoonen en een dochter van Pest-zieckte geraackt, gebracht ontrent het veldt van Mars, aan den Altaar van Dis en Proserpina; waar hy haar stroom-waater, daar warm gemaackt, te drincken gaf: waar op zy terstont in krachten en gesontheyr herstelt wierden.'t Altaar van Dis en fijne Proserpijn Behoedt ons niet, als eertijds Tarentijn; Het warme nat weerstaat geen fel fenijn, Noch stelpt het weenen. 'k Zegh dan, vaarwel gy heylige Myter-schaar. Verwacht van my noch Offer, noch Altaar. Ik neem verlof, dat ik mijn Lier ontsnaar; 't Moet u behaagen. Gy, ô Goddin, behoe ons Trouw-verbondt, Dat ons geen beet van felle tanden wond. Spaar dogh ons lijf en geest zoo langh gesont. Aan 't end ons daagen.
Catharina Questiers de Hoest.
In Amsterdam den 10. October 1664.
Cookies on Poetry Cove