Anders.
Eenselich grimmich mensch, die recht den Beer gelijct,
Die elcken eenen schouwt, daer elcken een voor wijct,
Weest bij de menschen mensch, wilt v toch soo niet scheyden
Van anderlic gesicht, laet v toch niet verleyden
Van die laetdonckentheyt, dat gij alleen kunt leven:
God heeft den mensch verstant en spraeck hierom gegeven,
Om dat hij sich doch souw somtijts vergeten tsaem.
Den mensch is me en eensch; daer van heeft hij de naem.
Den eenen heeft altijt den anderen van noode:
Die altijt blijft alleen, die stell' ick bij de doode.