Anders.
Leest gij een boeck, verziert in rijm oft ander dicht,
Van een die soet geluyt mengt met de leer die sticht,
Merct op hetgeen dat hij daer bij heeft willen seggen:
En wilt u sinnen op de rijm alleen niet leggen.
Som lesen cluchten licht, tot heure siele bederf,
En slaen geen acht op't goet dat daer in menich werf
Bewimpelt is met const, die Amadis wilt lesen,
Moet dit voorseydt vermaen altijts indachtich wesen:
Oock die een heydensch boeck begint, dat hij wel past
Het best te kiesen wt. het eynd dat draegt den last.
De slang sal hem sijn hert met heur vergif besmetten,
Wilt hij meer op het soet, dan op het stichtich letten.
Ter wijlen datmen bloemen, ende insonderheyt Aerdbesien in het vele pluct, soo behoortmen ons seluen wel te wachten van de schadelicke ende sorgelicke Slange, die ons met heur venijn can vergiften, ende doen sterven. Alsoo oock, alsmen in het lesen van eenige boecken der geleerde lieden versamelt oft aenteeckent de schoone spreucken, ende treffelicke gewichtige redenen oft sententien die daer in souden mogen wesen, dan moetmen ons wel soo seer wachten om te ontvlieden, oft immers niet aen te nemen de quade leeringen, en de valsche opinien oft dwalingen,
die daer dickwijls in zijn: op datse ons niet en besmetten ende schenden, ende onse sielen tot eeuwige verdoemenis bringen.