Anders.
Veel menschen zijn de Cat gelijck, heel sonder reden,
Schoonsprekers in gebreck, in weelde trots van zeden:
Geen weldaet heur verbint, geen dienst is heur genoech:
Dat iemant heur tot Room selfs op sijn schouders droeg,
Maer liet heur bij de poort wat onsacht neder dalen,
Hij soud voor arbeyts loon niet dan ondanck behalen.
Sij zijn alleen hun selfs, voor ander doen sij niet:
God hoed mij voor dat volc, bij voorspoet en verdriet.
DE oude Alanen, Bourgoensche, ende Swaven, gelijck Methodius betuygt, voerden de gedaente van een Cat in hun vaendel: dat een beest is die niet gevanghen noch opgesloten en mach wesen; ende min dan eenig ander gedierte op der aerden de hechtenis oft gevangenis gedoogen can. Daerom mach sij met recht genomen worden voor een teecken oft lose van vrijheyt; daet het voorseyde volck voor allen seer nae trachten.