Skip to content
1615

Princeliicke deuiisen

Claude Paradin

Anders. Gelijck een teer gewas, dicht aen een herder steunt: Gelijck den swacken boom, vast bij den stijven leunt: Soo moet den weecken mensch sich bij een stercker voegen, Den stercken moet sich ooc met sulck gesell genoegen. Het weecke cruydt bij't weeck wort tsamen wtgeruct, Het herde cruydt bij't herd malcander heel verdruct. Twee menschen even slap en connen niet wt-rechten, Twee menschen even sterck doen ander niet dan vechten. Laetstmael, doen Mijn-heer den Alder-doorluchtichsten ende Eerwaerdichsten Cardinael van Lothringen den eersten intree dede in sijne Abdije van Cluny, vant hij in't incomen oft in't portael van de selve, sijn Devise, te weten een Pyramide, Eer-tuyt, oft verheven Obelisk: op wiens tsop een wassende Maen gemaect stont: ende was rontom beloopen ende omringelt van benedenen tot bovenen tot met eenen schoonen groenen Veylboom, oft Clim-op: ende hier bij stonden geschreven de volgende Fransoyse gedichten: Quel Memphien miracle se haussant, Porte du ciel lárgentine lumiere; Laquelle va, tant qu'elle soit entiere En sa rondeur, tousiours, tousiours croissant? Quel sacresainct Lierre gravissant Iusqu' au plus hault de ceste sime sphere,

De son appuy, (ô nouuelle maniere!) Se faict appuy, plus & plus verdissant? Soit nostre Roy la grande Pyramide: Dont la hauteur, en sa force solide Le terme au ciel plante de sa victoire. Prince Prelat, tu sois le sainct Lierre, Qui sainctement abondonnant la terre De ton soustien vas soustenant la gloire.

Dat is in onse tael, ten naesten bij: Wat vvondervverck is dit? Ick sie de silver Maen Met heur claer hemelsch licht (die, sonder te vermoeyen, Tot dat sij is heel ront, altijt altijt gaet groeyen) Op desen Kayrschen steen seer hooch verheven staen Wat heylich Veylboom sie ick hier rontomme gaen, En van beneden af tot boven toe sich spoeyen? Soo dat hij dus gevlecht (t'is vreemt om te bevroyen) Sijn steunsels steunsel is, in groente nemende aen. Ons Heer den Coninck vvort met dese Naeld geleken, Wiens hoochste toppen schoon verr' in de vvolcken steken; Soo dat sijn lof en vvinst den hemel schijnt te naken. Gij geestelicke Prins, sult desen Veylboom vvesen, Die d'aerde gantsch verlaet, tot Godt hooch op geresen: Den staeck daer ghij aen rust, gaet ghij noch vaster maecken.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Princeliicke deuiisen · Claude Paradin · Poetry Cove