Anders.
Wee mij, wat lett mij doch in mijn rampsalich hert?
Ist commer, oft genucht? ist ieucksel, oft ist smert?
Oft isset als van als? Ick voel mijn borst verbranden;
Doch buyten blijctet niet. Ic sie de doot voor handen;
Ick leef nochtans, iae woel, te bijster om mijn lief.
Ick sing, ick spring; nochtans claeg ick van ongerief.
Ick slacht den houten block die binnen is ontsteken;
En buyten schijnt de schors van groente en mos te leken.