Skip to content
1615

Princeliicke deuiisen

Claude Paradin

Anders. De deugt en gaven groot die iemant heeft becomen Door Godes segen goet, al zijn die wtgenomen, Nochtans, als nijders boos daer met een spijtig oog Op letten willen scherp, is iet dat niet en doog In sijn gantsch lichaem bloot, dat sij maer connen toonen, Dan gaen sij hem daerom heel iammerlicken hoonen. Eylaes, sij mercken niet, dat hier geen mensch en leeft, Die heel volmaect in als, met al geen smetten heeft. De Vliegen doen oock so, die op een spiegel loopen: Is daer een rouwe stee, daer comen sij bij hoopen, En maecken die voort vuyl: op't meeste van het glas En connen sij niet staen, maer latent soo alse was.

Waerom volgt gij heur nae? en gaet alleenlijk letten Op een oft twee, voor t'meest, en die seer cleyne, smetten, Die sulcken helt een heeft? Waer om aenmerct gij niet Dat gij voorts over hem geen vlecken meer en siet? Woud' hij sich selven oock met aendacht eens gaen stellen, En mercken op v quaet, en t'quaet van v gesellen; Hij soud' bevinden haest, dat ghij die op hem let, Alleen niet zijt bevlect, maer gantsch niet zijt dan smet. Sijn deugden zijn genoeg om wel te connen decken Een cleyn gebrecklickheyt in sijn geheele huyt: Maer gij zijt heel gebreck: en soumen v ontvlecken, Soo moestmen al u vel geheelijck trecken wt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Princeliicke deuiisen · Claude Paradin · Poetry Cove