Anders.
De Slang steect met den steerts bedroch volgt schijn van trouw:
Een goet begin, quaet eynd; vroech vroolijck, spaey vol rouw.
Den wtganck die beschaemt meest al dees aertsche dingen,
Ten zii de middelmaet het misbruyck comt bedwingen.
Soect gij veel wetenschap, gij laeydt v teer verstant:
Zijt ghij heel slecht en recht, elck doet u schaey oft schand;
Smeect v een man als vriendt, gij wort in't eynd bedrogen:
Schrijft iemant soete tael, sijn redens zijn meest logen:
Hebt ghij self schrijvens lust, ghij stelt v in gevaer;
En gij schrijft haest, dat best noch ongeschreven waer.
Leest gij poeeterij, als stichtelicke dicht,
Ghij vint daer selden meer dan enckel woorden licht.
Als gij veel ernst verwacht, drijft ydelheyt meest boven,
Met schelden sonder reen, oft met onwaerdich loven.
Soo gaettet meestendeel met diemen noemt geleert;
In't seggen zijn sij wijs, in't doen geheel verkeert:
Veel grote constenaers, seer veel geacht met reden,
Besmetten al heur eer door hunne quade zeden.