Anders. Al tgeen dat Cesar wan, door sijn seer cloecke helden, Doen hij sich tegen Room en sijn vijanden stelden, Quam hem alleenlijck toe: en d'ander die heur hant Hem leenden tot verderf van hun selfs vaderlant, Die waeren sonder hem bijnae als niet in't vechten, Noch sonder hem en mocht al hun gewelt niet hechten.
Och wonder wercken Gods! hij was alleen die vocht, Hij was alleen die Room met cracht heeft t'onderbrocht. Al die seer cloeckelijck eertijts voor Cesar streden, En deden hem veel dienst, die hebben dit beleden, Wij zijn ons selver niet; doe Cesar ons geboodt, Doen waren wij als mans: nu zijn wij min dan bloot. Iae Labienus self, die Vranckrijck hielp gewinnen, En lucten niet met al dat hij oint dorst beginnen Tot Cesars achterdeel: doe hij voor Cesar streed, Doen luctent hem seer wel, al wat hij docht oft deed. VVAer het sake dat iemant volbrocht had eenich loflick werck oft vrome daet, diemen nochtans sijn Overste, Meester oft Heere toeschreef: Ick soude hem voor Devijs willen geven twee Ossen, treckende een Carre oft Ploeg, met een van die veerskens van Virgilius, Sic vos non vobis, al oftmen segghen woude, Soo werckt ghij oock, maer het is al voor een ander.
Cookies on Poetry Cove