Wijse: Aen een rouwigh herte. Pronckje van de Maeghden.
O verdwaelde herten, Die Godt wil bedriegen
Met u valsche perten, Dobbelheyt en liegen.
Wilt soo hoogh niet vliegen,
Want Godt die siet het al,
Wat menschen, Maer
wenschen,
Gevoelen En woelen In 't aertsche dal.
Siet de Phariseen Hoe sy Godt bekoorden.
Sochten te verleyen Jesum in sijn woorden,
Vraeghden; maer niet stoorden:
Magh men den Keyser, seght,
Cijns geven: En leven
Als kinders, En minders
Van Godt na recht?
Vraeg-
Jesus siend' hun boosheyt,
Eyscht de munt van desen:
Vraeghde dan met loosheyt:
Wiens is dit Wesen, En opschrift te lesen?
s' Antwoorden: Cesars beelt.
Dus seyd' haer: Geeft Cesaer
Het sijne: En 't mijne Niet en ontsteelt.
s' Ant-
Wilt dan, mensch, niet dwalen
Met all' uwe vonden:
Godt kan achterhaelen
Oock uws herten gronden:
En all' uwe sonden
Zijn voor hem bloot, en naeckt;
Hoe schoone, Ten toone,
Behendigh uytwendigh,
Gy het oock maeckt.
En