Skip to content
1682

Evangelische leeuwerck

Christianus Placker

Wijse: Mijn droefheyt moet ick klagen. Fortuyn helas pourquoy. Siet de noten 24. juny. O Menschen, om uw' sonden, Staet daer aen een Colom, Met ketens vast gebonden, Des Hemels Bruydegom; Alwaer sy met gewelt Op hem al slaen seer stout, Als Smeden op 't aen-belt, Of Timmermans op 't hout. Al-

Een Dief tot veertigh slagen Deut. 25.3. Noyt gaf men, naer wets leer: Maer Jesus heeft verdragen Vijf duysent en noch meer; Tot dat sijn vleesch verscheurt Af van de beend'ren viel: En hy, in dese beurt, Niet een lidt heel behiel. Tot

Ses Beulen, tot vermoeyen, Hem sloegen over-handt Met snaeren, ketens, roeyen:

Om 't lichaem allen kant. Soo dat het door-gewondt Stort een rivier van bloedt, Siet wat Godts liefden vondt O menschen, voor u doet. Soo

O Heer, ick sterf van rouwe, Als ick u, om mijn schult, Soo deerelick aenschouwe Met wond' en pijn vervult. Och! met dit dierbaer nat, Het welck soo milde vloeyt Uyt u vijf-wondigh badt, Mijn dorre ziel besproeyt. Och

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Evangelische leeuwerck · Christianus Placker · Poetry Cove