Wijse: Hoe werckje niet Leeuwerck? O lang begeerden dagh.
Och! wat heeft Jesus al
Voor ons doch niet geleden
Hier in dit tranen dal,
Heel tegen recht en reden.
Siet hem in Caypahs huys
Staen
tot een yeders spot:
Siet hem het Joodts gespuys
Onthalen als een Sot.
'd Een stoot hem, als een kindt:
Sijn baert de and'r' uytrecken:
De derde hem verblindt:
De vierde hem begecken:
Hem desen blasphemeert:
Die menigh vuysten geeft:
En seght, Heer, propheteert,
Wie u geslagen heeft?
Hem
De liefd' u voor my doet,
O Jesu, aen die smerte,
Gy voor my lijden moet:
Ach! 't rouwt mij in mijn hert:
Ick heb' het quaet gedaen.
Daerom, mijn Heer, en Godt,
Laet lijden my voort-aen:
En voor u zijn bespot.
Ick