Wijse: O che diletto.
Siet eens hoe krachtigh
By Godt Almachtigh,
Dat zijn 's Mensch gebeden,
In noodt of kranckheden.
Als Simons Moeder was,
Door koorts niet wel te pass':
Den Heer, gebeen
Van elck een,
Verdrijft de Koorts
Stracx van haer voorts.
Wat staende over haer,
Sy voort verlichtingh is gewaer.
De Koortsen hy gebiedt,
En haer gesontheydt weer geschiedt.
Och hoe deur-goedigh,
En hoe demoedigh
Komt in Petri woningh
's Hemels Opper-Koningh!
Gebeden maeckt terstont
Die krancke Vrouw gesont;
En mening meer,
Van haer seer.
Ja wieder quam,
De sieckt' af nam,
Met opleggingh der handt,
Uyt de beseten Duyvels bant:
Die roemend' hem Godts Soon,
Heeft hy het spreecken haer verboon.
Ge-
Heeft doen Gods zeegen
't Gebedt verkregen:
Wat sal 't nu uytwercken
Door 't Geloof der Kercken?
Heeft hem die Vrouw', als Vriendt,
Tot danckbaerheyt gedient;
Wy moeten meer,
Doen de Heer
Voor al het goet,
Dat hy ons doet.
Gaet dan tot hem in noot:
"Sijn goetheyt niemant en verstoot,
"'t Gelovige Gebedt Joan. supra.
"Brenght altijt Hemels gaven met.
Heeft