W.
MONDSTOPPING.
Waar haalt men bry om yders mond enz.
45
PRYZEN EN LAAKEN.
Waar zal men aan een man geraken.
4
ONGEWILLIGHEID.
Wat baat een kaars, wat baat een bril.
84
VRUCHTELOOSHEID.
Wat baat het vruchteloos gepoogt,
83
TOEGEVEN.
Water in zyn wyn te mengen.
67
ZINLYKHEID.
Wat is yder opgenomen.
17
AARD.
Wat van katten komt, wil muizen.
48
WEL DOEN, EN VROLYK ZYN.
Wel te doen, en vrolyk wezen.
113
MOLEN.
Wie een slag heeft van den molen.
109
BEDILLEN.
Wie knoopen in biezen wil zoeken enz.
20
LEEREN.
Wie is met de konst geboren.
51
WEDERSTUIT.
Wilt gy kaatzen, wacht dan ballen.
34