Skip to content
1820

Dichtstukjes

C.A. Vervier

En zien, wien 't blinde lot het meest begunstigd heeft, Hoe dikwijls werd de vorst een' arme slaaf bevonden, De slaaf, een vorst, bij wien het zelfgenoegen leeft! De kroon, hoe zeer ze ook blink', bevrijdt niet die ze dragen,

(Terwijl haar zwaar gewigt hun matten schedel prangt) Van een geduchte schreê te nadren alle dagen Aan 't onvermijdlijk graf, dat knecht en heer ontvangt. Van waar de dwaze spreuk: ‘gelukkig als een koning’?

Geeft dan 't verganklijk goed een onvergangbre vreugd? Ik, die geen dons beslaap in hooggewelfde woning, Geniet een rust die u, ô vorst! gewis niet heugt. Ik die, terwijl de dood mij eerlang dreigt te slopen,

Gebogen op mijn stokje en met een' tragen tred, Op d'ouden vadrenvloer, door mij welëer bekropen, Nu, grijs en waggelend, onzekre stappen zet, Geniet meer ware vreugd, dan hij die, uit paleizen,

Waar, bij het snarenspel, geen zachte rust bestond, Naar landhuis en paleis steeds ginds en weer moet reizen,

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtstukjes · C.A. Vervier · Poetry Cove