Wel hem!
Die met een dankbre stem,
Na welbestede dagen,
Eer 't magtloosbrekend oog zich sluit,
Een stil gebed vertrouwlijk uit,
Der godheid opgedragen.
Wee hem!
Die in de vuige klem
Der vadzigheid getreden,
Voldoen wil aan het pligtgebod
Van den steedsrusteloozen God,
Met werkelooze beden.