U draagt de Mirt of geur'ge Tijm:
Gij zweeft op bladren, waar de rijm
Zijn' zilvren stempel op kwam drukken;
Daar gaat gij versche kusjes plukken.
Het zuidewindje volgt u na,
Als wispeltuurge wedergâ,
En doet voor u, op duizend struiken,
Viool en Hijacinth ontluiken.
Kruidnagel, Tulp en Anemon,
Waarin Natuur de kunst verwon,
Zij pralen, slechts voor u geschapen.
Al wat ons oog er uit mag rapen,
Is 't beeld der onbestendigheid,
En leert ons, hoe de vlugge tijd,
Die voorwaards spoedt met rappe schreden,
Ook onze jeugdbloem zal vertreden.