Hun blad,
Door 't glinsterende nat
Des hemeldaauws bedropen,
(Terwijl ge u op hun ruige bast
Met weinig dorre spijs vergast)
Laat u verkwikking hopen.
Gij leert,
Aan die uw les waardeert,
Hoe elk in lentejaren,
Voor huiverigen wintertijd,
Voor ouderdom, die ons verbeidt,
Een schatje dient te sparen.
Dus hier
Voldingt ge, ô redeloos dier!
De taak u aangewezen;
En zoo er in een beter oord
Een prijs aan dierenvlijt behoort,
Vast zal hij de uwe wezen.