Het bootje, ons door Natuur geschonken,
Het ligchaam, 't voorwerp van ons pronken,
Dit ranke schuitje op 's levens zee,
Moet zich het lot ten speelbal leenen,
Moet dikwijls door de barning henen,
Wil 't eenmaal landen aan uw reê.
Maar gij, Fortuin! in goud bedolven,
Die bij den tempel van 't geluk
Uw vuige wimpels durft doen golven,
Die zelden troost geeft, dikwijls druk;
Die, om te beter te bedriegen,
De rede weet in slaap te wiegen,
En door de handen van de vreugd
Uw tooverdranken doet bereiden,
Uw schrikbren drempel wil ik mijden,
Beducht voor 't gif van uw geneugt.
De deugd, op eene rots gezeten,
Den rug naar uw paleis gekeerd,
Roept mij, (nooit moog ik het vergeten!)