Het vischje, dat in 't pekelplein
Zich opheft uit de baren;
't Schijnt allen hun een vreugd te zijn,
Uw grootheid te verklaren.
En wij, uw kindren, uw geslacht,
Wij aan der schepslen keten
Als eerste schakel aangebragt,
Wij zouden U vergeten!
Neen, groote God! waarheen uw wet
Mij immer voer na dezen,
Mijn eerst gepeins, mijn eerst gebed,
Zal U geheiligd wezen.