Den wijsgeer die, van dwang der driften
Met vasten moed zich poogt te ontslaan,
Het goed van 't kwade tracht te schiften,
Hen ziet hij slechts als menschen aan,
Die, slaven hunner bezigheden,
Rondrennen in een schittrend perk,
Terwijl hij aan een nutter werk
Zijn vrije leven mag besteden.
Ja, meer gelukkig duizendwerven
Dan zij, ten top van eer gevoerd;
Zoo als hij leeft, ziet men hem sterven
Op d'akker die hij spit en roert;
Zijns vaders erf, vol zegeningen
Door hem bezeten in zijn jeugd,
Laat hij zijn' zonen, die de deugd
Van hem met 't levenslicht ontvingen.
Hij ziet zich thans in hen herboren,
Hun rappe jeugd streelt zijn gemoed;
Ofschoon zijn krachten gaan verloren
Daar hij zijn' pad ten einde spoedt,