Maar om den geur, zoo zacht, zoo zoet,
Mijn teedre blaadjes ingegeven;
Daardoor, door dit inwendig goed,
Zal ik mij zelven overleven.
Dit 's 't voorrecht, 't welk van oude dagen
Op schoonheid, deugd verworven heeft;
Het schoon kan voor een' tijd behagen,
Maar 't is de deugd, die altijd leeft.