Zag 't volk, door praal te loos misleid,
Hoe 't in u valschen schijn vereerde.
Geen wapenpraal zal hem doen leven
Voor de oogen van het nageslacht,
Die steeds de triumf als verheven,
Den vredekrans nietswaardig acht;
Die, voortgezweept door oorlogswoede,
Bij 't schelle krijgsklaroen verrukt,
Het bloedig spoor van Sylla drukt,
En nooit een staat voor oorlog hoedde.
Maar hij die, daar Europa's velden,
Door Mavors ijzre vuist gebeukt,
Van dertig jaren krijgs nog melden,
De kunstbanier steeds ongekreukt
In zijn gebied weet te bewaren;
En, sluitend Janus tempeldeur,
Minerve alleen den offergeur
Toereikt in 't walmen der altaren.