Hoe zou, bij 't eerste morgenlicht,
Mijn beê niet t' uwaarts rijzen?
Daar alles steeds voor mijn gezigt
U eerbied komt bewijzen.
Verheft met stille majesteit
De zon zich uit de kimmen,
Zij meldt uw magt, uw heerlijkheid,
Door 't grootsch en prachtig klimmen.
Verlicht de maan 't azuurgewelf,
Bij heldere avondstonden,
U, goede God, ô goedheid zelf!
U schijnt zij te verkonden.
Het beekje, dat in 't lommer vlugt
Een zacht gemurmel makend,
Het vogeltje, in de reine lucht
Zijn vrije zangen slakend,