Dier driften die, beheerd door streng gebied,
Het menschlijk leven als een stille vliet
Doen henen stroomen;
Maar die, ontteugeld en den band ontgaan,
Zich heffen tot een vreesselijk orkaan,
En 't al verderven.....
Het doode vischje, dat de stroom verwerpt,
Schetst mij den geest van hen die ongescherpt
In domheid sterven.....
Die bloempjes, die hier langs den oever staan,
En in de golfjes liefelijk zich baên,
Zijn 't beeld der kunsten,
Wier oefening den eedlen geest verzaadt,
En tot aan 't graf zoo mildlijk overlaadt
Met hare gunsten....
Dat vlugge beeld der zilverblanke duif,
Wier blikjes mij, hoe zij ook zwiere en wuiv',
In de oogen stralen:
Is 't niet de hoop, die haren zoeten troost,
Met gullen lach; die mijne zorg verpoost,
Me in 't hart doet daelen?...
Het rollend keitje dat ook henen spoedt,
Geen vonkje gevend wijl 't geen staal ontmoet,
Kan mij ook leeren,