Deez' les toe, die mij alles leert:
‘'t Is niet door 't goud, aan u gegeven,
Dat gij geluk vindt in dit leven,
Dat gij de rust vindt voor 't gemoed;
Maar lijdenden uw hulp te schenken,
Den nood der armen te gedenken,
Zie daar! 't geluk en 't ware goed.’
Niet hij, die, steeds van schraapzucht zwanger,
Der schikgodin zijn hulde biedt;
Die, naast zijn staplen gouds nog banger,
Vergeefs bij 't geld de zorg ontvliedt;
Niet hij, die, in genot verzonken,
De kelk der wellust drinkt, en, dronken,
Zijn oogen afwendt van den druk;
Maar hij die, met zacht welbehagen,
Van 's broeders oog een' traan durft vagen,
Hij, hij alleen, smaakt waar geluk.