‘Maar ik, ik leve jaar op jaar;
'k Zie Phebus staag aan 's hemels kringen;
Den zomer zie 'k de lent' verdringen,
En als de gure winter woedt,
Behoude ik 't leven, 't waardste goed;
Ik kwets geen' vingers die mij plukken;
'k Behoef voor 't noodlot nooit te bukken....
Wat rept gij van den korten tijd,
Mij op deez' aarde toegeleid,
En dat zich vingers aan mij kwetsen?
Waarom nog boon gevoegd bij 't zwetsen?’
Zegt 't Roosje, en vaart dus zedig voort:
‘'t Is waar, 'k sneef kort na mijn' geboort',
Maar 'k zal de blanke borst versieren
Van Fillis die de herders vieren.
Dus gunt natuur mij ook een' lach;
Zij moge vrij uw leven rekken,
Zulks kan in mij geen wangunst wekken,
Ik smaak een leven in een' dag.’