Gij, die der vadren grond bemint,
Die hem verbeterd wedervindt,
Die de oefening der schoone kunsten
Bevoorregt ziet met zoo veel gunsten,
Verbeuzel toch uw aanleg niet,
Noch giften die natuur u biedt,
En wijl u 't edle bloed der vadren
Al bruisschende nog stroomt door de adren,
Vang aan'.... op dat gij zegepraalt,
Eer u de lentezon ontdaalt.
Vervangt de winter 't zomergloeijen,
En moog dan nog een bloempje bloeijen,