Ik hoop, en smeek van 't alvermogen,
Dat gij die, ons zoo lang onttogen,
Nu keerende onzen wensch vervult,
Ons nimmer weer verlaten zult.
Zoo mint, haar oud-verblijf ontweken,
Maar weêrgekeerd uit verre streken,
De zwaluw haar geboortevlek;
Zoo mintze altoos de dierbre plek,
Waar zij het eerste voedsel smaakte,
Waar zij haar eerste toonen slaakte,
Waar zij haar eerste veertjes kreeg,
Waar zij het eerste nestje ontsteeg;
Noch moeit' noch afstand doet haar zwigten,
Om hare vlugt daarheen te rigten.